The Gambia – ‘people are poor, but nobody is hungry’


En als ik dan mag sterven, laat het dan zijn omdat ik dodelijk besmet raak door het schudden van de hand van een lachende Afrikaan, en het eten, met de hand, van een gerecht uit één pot die wordt gedeeld door meerdere mensen daar omheen. Zomaar een gedachte op mijn eerste dag in Afrika.

Laat ik een poging wagen mezelf rustig uit te drukken. De meest opmerkelijke, indrukwekkende reis die ik tot nu toe heb gemaakt, mijn eerste ontmoeting met Afrika , ik schaam me bijna terwijl ik het noteer. Want ik had hier natuurlijk al veel eerder moeten zijn, op dit continent waar het voelt alsof de bron van ‘alles’ hier is ontsproten. En er gebeurde iets vreemds met me. Men ziet mij op tv als een enthousiaste onderzoeker van eetcultuur en geloof me, dat ben ik ook op de momenten dat ik word geconfronteerd met al die mooie mensen en ingrediënten die mijn pad kruisen. Maar het vréét energie om, onder tijdsdruk, telkens àlles te geven tussen alle hobbelige reizen in auto’s, jetlags, verplichtingen etc. door. Dus normaal gesproken ben ik in de opnameperiode best vaak moe, leeg, zoiets. Maar niet hier in Afrika. Iedere dag sta ik om 06.30 uur naast mijn bed, zit als eerste aan het ontbijt en trappel van ongeduld, klaar voor de nieuwe dag. Pas eenmaal terug in Nederland voelde ik het in mijn lichaam. Onderstaand verhaal kan wellicht verklaren hoe dat zit.

The Gambia, inderdaad ‘The’ Gambia. Een stoere naam voor dit West Afrikaanse land ingeklemd tussen Senegal en de Atlantische oceaan en sinds 1965 onafhankelijk van Engeland. De naam van het land is afgeleid van de rivier ‘the Gambia’ die het land doorkruist en dienst deed als snelweg voor de transport van slaven in een donker verleden. Het beruchte levensverhaal van ‘Kunta Kinte’ vond hier plaats, nog altijd woont zijn familie in zijn geboortedorp Juffureh.

Vrijwel continu bekruipt mij het gevoel me in een documentaire van National Geographic te bevinden. Roodbruin zand overal (ook de auto’s zijn met een respectabel laagje bedekt), chaotische drukte in en om steden en dorpjes, auto’s en vrachtwagens spreken met hun claxon, politiemensen (of iets met een uniform) doen ‘screenings’ en veroorzaken korte files, allerhande mini winkeltjes, handeltjes eigenlijk, guest houses al dan niet afgebouwd, muziekinstallaties met te veel draadjes waaruit muziek schalt over straat, kappers die werken in heel kleine hokjes met een stoel en een spiegel maar hun tondeuzewerk met chirurgische precisie uitvoeren, vrouwen in kleurrijke gewaden die van alles op hun hoofd dragen, mannen in koninklijke moslimjurken (waardoor ze langer lijken) met hoedje en zonnebril, kei strakke sexy meiden met mooi glanzend pikzwart gecoiffeerd haar en ‘kontjes naar achteren’, kinderen die nieuwsgierig naar ons opkijken, mensen die zo maar ergens onder de beschutting van een gebouw liggen, sinaasappelverkopers die vernuftig de zest van de vrucht snijden zodat je deze uit de hand kunt eten, open riolen waarin mensen zich wassen, jongens die vissen aan een lijn naar huis brengen, zwaaiende mensen langs de weg zittend zoals alleen donkere mensen kunnen zitten, jongetjes die een autoband door het zand rollen naar een pick up truck met pech midden op een druk kruispunt en daar wordt gerepareerd door veel te veel mensen terwijl politiemensen met zonnebrillen trachten enorme vrachtwagens volgeladen met zand (waar bovenop mannen staan) langs de pechvogel te leiden, garages met stoffige auto’s, uitstallingen van kleurrijke kleding, overdreven bankstellen worden te koop aangeboden langs de weg, kinderen in helder blauwe schooluniformen contrasteren met de omgeving, totaal afgetrapte Mercedessen doen piepend en rammelend, met doorgezakte zitting, barsten in de voorruit, achteruitkijkspiegel met rozenkrans en niet meer werkende airco maar wel met radio waaruit nasale reggae klinkt dienst als ‘green stripe’ taxi, in winkels met door zon en zand gebleekte vale kleuren zie ik opgestapelde zakken rijst waarop iemand ligt, ongedefinieerde elektrische apparatuur, ‘supermarkets’, even buiten de bebouwde kom, groenige velden met palmbomen waartussen vaalbruine runderen grazen (die ook met regelmaat traag bewegend de weg blokkeren), uitventers van fraai opgestapelde groenten en fruit…
Zo rauw, zo echt, zo ongepolijst.

En altijd en overal die prachtige mensen die een soort rust bezitten. Het is wellicht een tik van mij, maar zijn donkere mensen nou mooier dan blanke? Mag ik dat überhaupt uitspreken? Zelfdiscriminatie? Zelfs de meest armoedige, door het leven getekende, tandeloze, stinkende ‘brother’ vind ik esthetischer dan de gemiddelde blanke toerist, waartoe ik overigens ook mezelf reken, die ik ’s morgens zie grazen in de ontbijtzaal van ons hotel.

Enfin, het valt over me heen. Na het zien van zoveel Afrikaanse ellende, droogte, hongersnood en armoede op tv is het zo fantastisch en soms aangrijpend om hier zoveel vriendelijkheid en vrede te mogen ontvangen, en vooral te constateren hoe mensen onderling met elkaar omgaan ongeacht huidskleur, stam of geloof.
Het ontlokt bij mij de euforie van het bewustzijn.

De schoonheid van dit land zit ‘m niet in uiterlijkheden. Als je kijkt vanuit onze ‘rijtjeshuiscultuur’, door Europese ogen, dan zie je een stoffig, smoezelig, chaotisch land, ongeletterdheid en weinig algemene ontwikkeling. Het is hier niet ‘Toscanemooi’ zal ik maar zeggen. En sommige zaken zijn voor ons lastig te doorgronden: bepaalde tradities, de meeste gebaseerd op geloofsovertuiging zoals de besnijdenis (waarna jongetjes hun ouders maanden niet zien) en het feit dat mannen vier vrouwen mogen hebben en vrouwen slechts één man, de vreemde verdeling in rechten en plichten tussen man en vrouw, rare eetgewoonten zoals het eten met de handen of het delen van ongedefinieerde prutjes uit één schaal, gebrek aan regels en orde, corruptie, het verkeer, de onafgebouwde huizen, afval op straat, slechte Wi-Fi…

Maar als je die laag afpelt en open staat voor het feit dat op dit continent dingen niet zijn zoals wij ze graag zien dan ontwaar je een schoonheid in een ander niveau (ik zeg niet: hoger of beter, maar ander) , een diepere laag, een diepere lading, noem het energie. Die energie zit hier in de mens, in de saamhorigheid, de omgang met elkaar los van stam, geloof of huidskleur.  Ik vind het zo moeilijk om dit gevoel in letters om te zetten omdat het zo snel zalverig gaat klinken, maar ik ervaar het als ‘het delen van leven’, het samen ondergaan van het totaal. Gelijktijdig voel je ook dat het zo kan omslaan, dicht bij de natuur staat het, bijna dierlijk. Dat is een beetje spannend, maar houdt je scherp, wakker.

En laten we eens naar onze ‘beschaving’ kijken… Wat doen wij met al onze ontwikkeling, kennis en rijkdom? Wat hebben wij door de eeuwen heen in de basis veranderd en wat heeft het ons gebracht? Er is nog steeds oorlog en corruptie (ook al is het aan de oppervlakte niet zichtbaar). Politiek? Is er nog een politicus die doet wat hij belooft, of is het een soort marketing geworden, het winnen van zieltjes? Democratie? Wij worden opgevoed met ‘de meeste stemmen gelden’ maar ‘de meesten’ zijn niet altijd de meest intelligente. Voeding en gezondheid? Obesitas is de snelst groeiende ziekte, er zijn meer mensen met overgewicht dan met hongersnood. Tevredenheid, levenslust? De focus ligt over het algemeen op ‘meer, meer meer’, niet op ‘beter’.

Jaja ik weet het, ik chargeer! En ik besef dat ook in onze eigen cultuur veel schoonheid te vinden is. Maar ik kan me storen aan het, bijna arrogante éénrichtingdenken, guttegut wat lopen ze hier achter…Terwijl ze hier, naar mijn mening, mentaal en spiritueel gezien juist vóór lopen.

In mijn behoefte om te delen met de kijker vraag ik me af hoe dit alles vast te leggen, en te vertalen naar beeld. Natuurlijk ben ik begenadigd dat ik hier mag zijn maar ik baal toch een beetje van de beperktheid van ons programma, we hebben maar 22 minuten en eten is de prioriteit. Want ik wil hier de diepte in, me laten zakken in de oercultuur die ik proef. 

Mijn leven is te kort, dit zijn ervaringen die ik continu wil opzuigen, het liefst eindeloos reizend zonder vaste woon-- of verblijfplaats. Hier leef ik voor. Dus, als ik ooit een misstap maak, of blind van vertrouwen een verkeerde inschatting maak, in een foute buurt wordt gepakt, sterf door een voedselvergiftiging of het schudden van besmette handen, weet dan dat dat waarschijnlijk is gebeurd in vol bewustzijn en geluk.

Tanji Fishmarket
‘Meeslepend, indrukwekkend, heerlijke chaos, kleurrijk, leven’ noteerde ik in mijn dagboek. Deze niet te missen plek is voor mij zo overweldigend, niet met superlatieven te omschrijven.  JA ik weet het, hoe vaak word ik op mijn reizen niet gepakt door de omgeving, de mensen, de cultuur, de gerechten, zo langzamerhand wordt het een steeds grotere uitdaging dit alles te verwoorden, en misschien op een gegeven moment ongeloofwaardig, maar ik kan niet anders dan het uiten en delen, de kijker/lezer moet maar beoordelen hoe of wat…

Ik loop over smalle hobbelige zandpaadjes vanaf de weg richting strand tussen krakkemikkige gebouwtjes met allerhande handeltjes door, het voelt enigszins spannend. Niet alleen omdat je niet helemaal weet waar je bent maar vooral door de nieuwsgierigheid die in me wordt opgewekt op basis van de geluiden die ik vanuit zee aan hoor waaien…
Dan: weids strand afgevuld met mensen (uiteraard in 1000 kleuren) die in afwachting staan te wachten op wat de kleurrijk beschilderde (maar afgebladderde) houten boten binnen brengen. Het is een kakafonie, meer een symfonie eigenlijk, van kleur en geluid, ik denk dat er zomaar een paar duizend mensen op het brede strand krioelen terwijl de boten het strand zo dicht mogelijk benaderen en daar aanleggen. Mensen lopen de zee in en kopen vis direct bij de boten.

Anderen kiezen ervoor om mannen in te huren die, gewapend met plastic bakken, de vis bij de boten halen en deze vervolgens in de kruiwagens van weer andere mannen gooien. Vanuit de kruiwagens wordt dan onderhandeld en verkocht, waarna de vis of op de markt wordt uitgestald, of naar huis wordt meegenomen. Dus zie ik, uiteraard gespierde, mannen naar de boten af en aan rennen, de bakken vullen, om ze daarna op het hoofd, maar nog altijd rennend richting strand te brengen, achtervolgd door kinderen die de vis die uit de bakken valt snel op te rapen en verdwijnen. Ze smijten hun last in de kruiwagens, die in een lange rij naast elkaar staan opgesteld, en sprinten direct weer terug de branding in richting boten; hoe meer vis hoe meer inkomsten.

Even later slenter ik een stukje terug van de branding op het gedeelte waar vrouwen eindeloos veel verse vis aanbieden, wapperend om de vliegen weg te houden. De meeste zijn er niet happig op om gefilmd te worden, en we worden met regelmaat weggeschreeuwd in onverstaanbaar Afrikaans. Het komt, in contrast met wat wij over het algemeen ervaren hier, wat ongastvrij over, maar ik realiseer me dat we hier op bezoek zijn in andermans cultuur en kan niet anders dan het respecteren. Dus wees, als je deze markt (en ook andere trouwens) bescheiden met gebruik van camera. Van gids Mamou leer ik dat het te maken heeft met het feit dat veel marktkooplui niet uit Gambia komen, maar bijvoorbeeld vluchtelingen zijn uit andere Afrikaanse landen zijn en niet zichtbaar willen zijn. Uiteindelijk praat ik toch met enkele (Gambiaanse) vrouwen die hier zeven dagen per week staan. Op mijn vraag waarom er alléén vrouwen staan krijg ik een veelbetekenend antwoord: ‘because we suffer!’ Ik snap deze uitspraak wel, de verhouding man-vrouw is hier anders dan in onze samenleving, ik zal er later nog over schrijven.

Terug lopend door de smalle zandpaden worden we bijkans een gebouwtje binnen getrokken door een man zo enthousiast dat wij elkaar stuiterend in de armen vliegen. ‘allemachtig, ik dacht dat ik enthousiast was’ stamel ik, terwijl ik zijn ‘smokehouse’ binnen loop. Het is een hoog, onverlicht pand met zwartgeblakerde muren (die eens wit waren) en door de luchtgaten komt een onwaarschijnlijk mooi licht binnen als gevolg van de ondergaande zon. Het is smullen voor cameraman Marco.

‘Whhoooaaaaoooow!’ Wat is dit nou weer?! Een pijpenla van ongeveer 10 x 40 meter, met aan weerszijden giga ovens, houtgestookt, op de rekken boven het vuur staan vissen rechtop die de rook in zich opnemen en in, zoals ik even later leer, diverse stadia worden gerookt. Zo kan je hier licht gerookt en sterk gerookte vis krijgen die van hieruit wordt verscheept over de hele wereld. Roken is een eeuwenoude techniek om vis te conserveren, je hebt er geen koelkast voor nodig, het wordt hier in The Gambia ook veel gegeten. Ik heb een enerverend gesprek met de uitbater waarin het lijkt alsof we tegen elkaar opbieden in enthousiasme! Goed dat regisseur Danny me voor de opname buiten heeft laten wachten, zo pak je de meest spontane, verse reactie, ik explodeer zo’n beetje hahaha! Maar goed, er moet ook nog een item gedraaid worden dus rustig Pluijm, proeven. De smaak van deze net gerookte vis is bijzonder verfijnd. Dat kan ook niet anders, verser dan verse vis, licht gerookt op een houtvuurtje. Punt. Gerookte vis kan enorm sterk van smaak zijn, van rooksmaak bedoel ik dan. Deze niet. Delicaat, met nog altijd de behouden smaak van verse vis, zeldzaam.

Na deze enorme energiepiek zit ik nog een half uurtje buiten op een stuk hout ‘tot rust’ te komen, in dankbaarheid genietend van het leven dat om me heen voorbij trekt in de avondzon.

Juicebrothers & Fruitladies
Op een van de vele hagelwitte stranden (Ozon Bay) staan piepkleine ‘juicebars’ waar jonge mannen zoals ‘Solomon’ heerlijke vruchtendranken toveren met zeer eenvoudige middelen: vruchten, een mes, een vork, een handpers en kraakverse vruchten. Vruchten als banaan en mango worden eerst met een mes in een kom gesneden, daarna met de vork geprakt en overgoten met sinaasappelsap. In het glas dat ik krijg aangereikt ziet het er aantrekkelijk knalgeel uit, de smaak is die van puur fruit en vooral de ‘bite’ maakt deze dranken net even anders dan bijvoorbeeld uit een juicer: een drinkbare vruchtensalade.

De vruchten liggen 30 meter verderop uitgestald in een kunstzinnig beschilderd houten gebouwtje op het strand alwaar de ‘fruitladies’ vruchtensalades verkopen.

Prachtige vrouwen in lichtgroen-donkergroene jurken met dito haarbanden, sommige dragen hun kind bij zich. Terwijl ik naar binnen loop valt mijn oog (die ene die recht staat) op een grote pan op de grond. Voordat ik het door heb MOET ik aanschuiven en vind mijn plek gehurkt tussen de dames. Iedere dag delen ze hier de lunch gezeten rond een pan, etend met de handen. Met de hand ja, dat zullen veel mensen raar of onhygiënisch vinden, ik ben van mening dat wij juist daartoe zijn toebedeeld met handen, om te eten. Door God bedacht toen er nog geen bestek bestond. En het is ook hygiënisch durf ik te stellen aangezien de handen goed worden gewassen voor het eten en slechts één hand, de rechter,  wordt gebruikt. Er wordt een eitje gevormd van de rijst die, samen met de overige ingrediënten, in dit geval barracuda, pompoen, cassave en rode peper, wordt genuttigd. Het zijn geoefende handen en het ziet er niet onsmakelijk uit. ‘Eat, eat, this is The Gambia!’ roepen ze me toe en ik begin te gloeien. Want hoe mooi is dit, dit meemaken vond voorheen alleen plaats in gedachten en mooie dromen Een kok uit Nederland op zijn knieën aan de dis in Afrika! Eten met de handen, eten delen uit één pan, in broederschap, het is voor mij zoals eten bedoeld is, hiermee is het begonnen…

En zo kom ik direct bij de basis van wat ik ervaar op mijn eerste reis in Afrika: het staat zo dicht bij de oorsprong, bij de natuur, bij het spirituele. In al haar rauwe schoonheid. Zo ook de mensen, in de basis zo ongelooflijk open, vriendelijk, bijna ongeloofwaardig voor een nuchtere Nederlander, maar waar. Okay, het zal deels nieuwsgierigheid zijn, en wellicht kunnen de mensen iets aan ons verdienen (mag het als je moet rondkomen van 50 euro per maand?) maar uiteindelijk is het ECHT.
En de vruchten?? O ja de vruchten…!

Palmwijn
Onder een enorm dak van palmbladeren, een soort oase gevormd door een ‘boeket’ palmbomen van laat ik zeggen 30 x 30 meter breed, een meter of 20 hoog, , midden in een open gelegen groen landschap langs de weg, met hier en daar een palmboom, zitten de mannen op omgedraaide jerrycans en stukken hout. In de open, beschutte ruimte met een bodem van zand staan ook motorfietsen en een soort hutjes gemaakt van plastic gordijnen en golfplaat. Een stuk of vijf ‘brothers’ zitten hier te praten zodra we aankomen, hebben al aardig wat palmwijn achter de kiezen en roken ook graag een speciaal sigaretje zo te zien en te ruiken. Stoere koppen zijn het, mooie egale pikzwarte huid, strakke kin en jukbeenderen, heldere ogen, alleen de weinige en gelige tanden en de voddige kledij toont dat deze jongens geen miljonairs zijn.

Het is nog even de vraag of we, gezien de fysieke toestand, kunnen draaien en of iemand ons redelijkerwijs iets kan uitleggen… Uiteindelijk vinden we iemand die me te woord kan staan en lopen we achter elkaar aan het veld in en houden halt bij een geschikte palmboom. Met behulp van een vernuftig gemaakte kabel van palmboomhout en leer, die hij om zijn middel èn de palmboom doet, klimt ‘de klimmer’ (want er is slechts één man die dat mag doen) door met de onderrug leunend tegen de kabel, de voeten horizontaal steunend  tegen de boom stukje voor stukje omhoog. Vlak onder de bladeren tikt hij een soort trechtertje in het hout en vangt het sap in een plastic fles op. Met gevaar voor eigen leven. Letterlijk. Want zo af en toe valt er wel eens eentje te pletter. Of ik ook even wil proberen…? Tuuuuurlijk! Ik wordt in het apparaat gehesen en klim, met behulp van luide coaching, een stukje. Het lukt! Erg hoog mag ik niet van ze, dus ondanks mijn protest, want ik heb net de smaak te pakken, kom ik na een meter of drie alweer omlaag onder luid gejubel.
Voor het eerst in mijn leven proef ik het sap van een Palmboom. Zoetig, mooi zuurtje ook, groen, kruidig, hout. Echt lekker en heel verfrissend! Het schijnt ook gezond te zijn en wordt hier als medicijn gebruikt. ‘It’s healthy because it comes from God’. Ik geloof het. Een natuurlijke oerdrank. Dan volgt de wijn, die ontstaat door het sap een nacht te laten fermenteren. En ook die is goed zeg! Smaakt inderdaad ‘wijnig’, droog als een sauvignon, fruit, groen, fris, heerlijk! En gevaarlijk ook want je klokt er zo een glas van weg en, geloof me, dat voel je!

We zitten nog een uur ofzo met de mannen onder het bladerdak terwijl een glazen conservenpot die dient als drinkbeker rondgaat onder het genot van goede gesprekken over het leven hier en in het algemeen. Wijsheid en broederschap. Op een donderdagmiddag in maart, in The Gambia.

Attaya
Theeceremonies kom je in vele landen tegen, ook in The Gambia is het een fijn gebruik om rond een vuurtje te zitten en een glaasje thee te drinken met familie, vrienden of gasten die je pad kruisen. Het woord ‘Attaya’, afkomstig uit het Arabisch, slaat op het bijzondere bereidingsproces dat ik vandaag ga ervaren.

Een oude baas, heel tenger van postuur, te weinig tanden, sjofele kleding, afgetrapte slippers om zijn verweerde, wit uitgeslagen voeten, met door de zon gebleekt zwarte pet wacht mij zittend op een houten bankje al leunend tegen zijn huis op terwijl ik, het drogende kleurrijke wasgoed in zijn tuintje ontwijkend, op hem af loop door het hete zand. De groene Chinese theeblaadjes en de suiker heeft hij niet in huis dus ga ik met Gids Mamou op pad naar een van die piepkleine winkeltjes waar door een kleine opening in de kippengaas afscherming van de verkoopwaar kleine pakjes thee en een zakje suiker worden aangereikt. Door het zeer bescheiden huis-slaapkamertje lopen wij een binnenplaatsje op met vogelkooien en een fraaie boom, omgeven door andere woninkjes. Op een houtskoolvuur wordt een heel klein ijzeren theepotje geplaatst waarin water met de theeblaadjes aan de kook wordt gebracht. Daaraan wordt best veel suiker toegevoegd en vervolgens wordt de thee van grote hoogte in kleine glaasjes gegoten, waarna de thee uit de glaasjes weer worden terug gegoten in de theepot. Dit proces herhaalt zich een paar keer zodat de suiker goed mengt met de thee en een schuimlaagje ontstaat, en daar gaat het om; hoe dikker de schuimlaag hoe trotser de bereider mag zijn. Tijdens het drinken verandert de smaak, het eerste glas smaakt ondanks de suiker vrij bitter, het tweede is wat zoeter aangezien dezelfde theeblaadjes worden gebruikt voor meerdere rondjes. Uiteindelijk wordt ook munt toegevoegd die de zeer sterke thee opfrist.
Maar de smaak van de thee is uiteindelijk ondergeschikt aan de ervaring hier.

Voor de zoveelste keer tijdens ons bezoek aan The Gambia valt mij op hoe de mensen hier met elkaar omgaan ondanks het feit dat ze een vrij armoedig bestaan leiden.
Ook bij deze ‘ceremonie’ draait het om samenzijn, communiceren en vriendschap. De thee die daartoe als ‘reden’ wordt gebruikt speelt uiteindelijk een bijrol. Tijdens de Attaya worden problemen besproken, zaken gedaan en vriendschappen gesloten.

Vandaar ook mijn slotvraag: ‘Are you happy?’
‘Happy? I got my house, got my family, got enough to eat, got tea. Yes man, I’m happy’

Say no more…

Groet, René


Deze aflevering is mede mogelijk gemaakt door:


Ga snel naar de gerechten database om de heerlijke recepten van deze aflevering te vinden!


Afbeeldingen

Zoek in gerechten

Website ontwikkeld door Media647 | Produktiekeuken TV | Design in beeld